Mieke Dols

‘CULTUURONDERWIJS IS EEN BASISVOORWAARDE VOOR EVENWICHTIGE ONTWIKKELING VAN KINDEREN’

Het is niet vreemd dat Mieke houdt van verhalen die wat schuren, ontregelen. Daar is ze zelf ook van. ‘Ik heb bar weinig passie voor kunst en cultuur. Als je mij vraagt naar mijn kracht als adviseur denk ik niet aan wat ik doe voor de kunst en cultuur, maar meer aan generieke zaken. Aan professionaliteit, creativiteit, verbindend vermogen enzovoort. Daar ligt mijn passie, en die krachten kan ik overal inbrengen.’ Toch leest haar leven als een continue dans op verschillende muziekstijlen in uiteenlopende verschijningsvormen.

Van Rachmaninov tot Rowwen Hèze

Ik kom van oorsprong uit Limburg, ben geboren in Sittard en opgegroeid in Venray. Dat was best wel een dorp, overzichtelijk en beknellend tegelijkertijd. Mijn ouders waren beiden maatschappelijk werker en zaten qua opvoeding behoorlijk in de PvdA- en VPRO-Van Kooten en De Bie-hoek. Het opkomen voor anderen die het minder hebben, kregen mijn broer, zus en ik met de paplepel ingegoten. En we moesten iets cultureels doen, gewoon omdat dat bij de opvoeding hoort.

Vanaf ons vierde mochten we iets kiezen. Ik was zo’n kind dat thuis altijd danste, dus ik mocht naar de plaatselijke balletschool. En omdat mijn vader piano speelde, ging ik dat ook doen. De piano- en balletlessen waren niet elitair bedoeld. In ons dorp was dat heel gewoon. Het ging om de creativiteit, iets doen waar je geïnteresseerd in bent. Je hoorde gewoon cultuureducatie mee te krijgen. Totdat ik dit werk ging doen, heb ik het nooit als bijzonder ervaren. Er was er niet de associatie dat het iets kunstzinnigs is. Het leren bespelen van een instrument is goed voor je. Dat je op die manier jezelf leert kennen en doorzettingsvermogen moet tonen.

Mijn vader luisterde naar klassieke muziek. Zondagmorgen vroeg schalmden Bach en Rachmaninov door het huis. Op andere momenten speelden we muziek van de Beatles en de Stones. Mijn broer, de oudste, was een skate punkrocker. Hij hield van underground en keek neer op Nirvana en Pearl Jam. In het begin vond ik zijn muziek verschrikkelijk, maar ik ging het waarderen en kon op gegeven moment met alle bandjes meezingen. Ik hield van punk en hiphop, maar ook van de Limburgse folklore van Rowwen Hèze. Ik moest dan ook altijd heel hard nadenken als een vriendje naar mijn muzieksmaak vroeg. Ik was niet zo van de hokjes.

Nu luister ik veel naar R&B en hiphop, die beat. In de old school-variant. Muziek waarop ik kan dansen.

Docu met impact

De dorpse mentaliteit van ‘doe maar gewoon’ wilde ik zo snel mogelijk achter me laten. Ik vertrok naar Tilburg en begon een studie aan de School voor Journalistiek. Toen ik erachter kwam dat ik geen nieuwsjager ben, richtte ik me op de zachte kant van de journalistiek en ging ik documentaires maken. Als afstudeeropdracht voor deze opleiding maakte ik een documentaire over ouders die hun kind hadden verloren en de impact die dat heeft gehad op hun leven. De aanleiding is een heel persoonlijke. Mijn moeder is op jonge leeftijd overleden, ze is 47 jaar geworden. Ik was toen net 20.

Veel mensen zeggen dat dat het ergste is dat je kan overkomen, zo jong je moeder verliezen. En natuurlijk is dat erg, maar ik dacht dat het nog een tandje erger moest zijn om als moeder een kind te verliezen. Dat was de invalshoek voor mijn documentaire. Ik mocht een moeder uit Zeeland volgen. Ze had vijf kinderen van wie er twee zijn overleden aan een stofwisselingsziekte. Het is een heel persoonlijk portret geworden. Van alles wat ik in die vier jaar studie in heb moeten inleveren, ben ik het meest trots op deze docu. Omdat het onderwerp heel dichtbij kwam en omdat zij mij als 21-jarige zo toelieten in hun leven.

Mijn wens was om daaropvolgend een universitaire studie te gaan doen. Op voorwaarde dat ik vrijstellingen kon krijgen voor bepaalde vakken. Dat kon bij Theater-, Film- en Televisiewetenschap. Ik begon met film & televisie, maar stapte op een gegeven moment over op theater & dans. Beide studierichtingen heb ik afgerond.

Van maken naar mogelijk maken

Ik ben geen autonome kunstenaar met een drang om te maken. Maar ergens zelf signatuur aan geven, dat mis ik wel. Ik ben meer de educatieve richting ingegaan. Zo was ik bijvoorbeeld werkzaam op een dansacademie en bij een kunstencentrum. Ik werk graag samen met mensen, die een vrije geest hebben, die creatief kunnen denken en een beetje weird zijn. Dat vind ik bij FleCk. Wat ik leuk vind is om met kunstenaars en kunstvakdocenten te brainstormen en bij te dragen aan hun projecten en voorstellingen voor scholen. Feedback geven op hun concepten en met ze meedenken. Daar haal ik meer energie uit dan een training geven. Als ik mag kiezen, verzin ik het liefst toffe dingen die meer op de kunstenkant zitten. Overigens heb ik mij net ingeschreven voor een cursus fotografie. Dan kan ik toch weer wat gaan maken.

Had ik maar leuke kinderen

Twee keer per week ga ik naar dansles: een avond moderne dans en een avond klassiek. De moderne danslessen vind ik fijner, de klassieke zijn beter voor de basis en voor het zweten. Behalve voor dans heb ik een groot hart voor literatuur en literatuureducatie. Ik lees veel fictie en heel gevarieerd. Literatuur, maar ook gewoon ontspannende chicklit. Wat ik leuk vind, zijn ontregelende boeken. Literatuur met een kwinkslag, vervreemdend. Zo moest ik direct glimlachen om de titel van de dichtbundel van Erik van Os: ‘Had ik maar leuke kinderen’. Alleen al zo’n titel, daar houd ik heel erg van. Als ik naar een onbewoond eiland zou moeten gaan, neem ik mijn e-reader mee. En mijn drie kinderen natuurlijk. Ik zou redelijk gek worden als ik niet kan lezen en met mijn e-reader hoef ik mij niet te beperken tot één titel.

Ik schrijf zelf ook. Gewoon voor mezelf of voor een kleine kring bekenden. Als mij iets opvalt, maak ik er soms een klein schrijfsel over. Over iets dat mij erg bezighoudt schrijf ik bijvoorbeeld een brief aan iemand, of ik richt hem aan mijzelf. Ook schrijf ik korte verhalen en dagboeken. Ik heb geen ambities met het schrijven. Hoewel, als ik iets moet noemen voor mijn bucketlist is het wel het schrijven van een jeugdroman.

Ik ben rood. En geel

Het moet voor mij niet allemaal te serieus. Toen ik twee maanden bij FleCk werkte, zeiden mijn collega’s dat ik veel losser, komischer en goedlachser ben dan dat zij na mijn sollicitatiegesprek hadden ingeschat. Hun eerste indruk van mij was een heel zakelijke. Dat is een soort tweedeling in mij. Als ik gefocust ben, in mijn concentratie zit, geef ik geen blijk van mijn meer luchtige kant.

Zo’n twee jaar geleden deden we bij FleCk een disc-kleurenanalyse. Mijn profiel kleurde rood en geel. Rood staat voor dominantie en leiding nemen. Ik kan inderdaad goed keuzes maken en knopen doorhakken. Geel staat voor het verbindende, relaties aangaan en vertrouwen. Het schakelen tussen het zakelijke en het menselijke gaat mij goed af. Als ik in een inhoudelijke meeting zit, kan ik er ineens een keiharde grap ingooien om daarna direct weer mijn professionele rol te pakken. Ik voel aan wat kan. Het is een kracht waar ik vaak baat bij heb. Ik probeer dat invoelingsvermogen vaker in te zetten.

Wat ik ook van nature doe, is met iedereen op dezelfde manier omgaan. Ik heb niets op met hiërarchie. Daar ben ik totaal niet gevoelig voor. De directeur en de schoonmaker benader ik compleet hetzelfde. Voor mij is de ene persoon niet minder waard dan de ander. Om goed met iemand te verbinden, praat je natuurlijk net iets anders tegen de een dan tegen de ander. Soms vragen mensen mij hoe ik het toch altijd voor elkaar krijg dat iedereen voor mij wil lopen. Dat zal mijn invoelingsvermogen zijn.

Ik zit in een boekenclub voor vrouwen met een leidinggevende functie in de cultuursector. Daar lezen en bespreken we boeken over leiderschap. Een tijd geleden lazen we ‘Durf te leiden’, een boek van Brené Brown. Heel Amerikaans, maar interessant. Het gaat over samenwerken zonder te oordelen. Uit zo’n boek haal ik veel inspiratie.

Werken bij FleCk

Zo’n 3,5 jaar geleden werd ik getipt voor de baan bij FleCk. Mijn jongste zoon werd 2 jaar en ik was toe aan meer verdieping en intellectuele uitdagingen. Ik wilde mij bezighouden met strategische vraagstukken in plaats van opnieuw met een jaarprogrammering van het kunstencentrum. Ik kende de dynamiek van een tweedelijns provinciale instelling. In mijn vorige baan had ik regelmatig te maken met Kunst Centraal, de FleCk van de provincie Utrecht. Daardoor had ik een goed beeld van de werkzaamheden en die leken mij heel uitdagend.

Toen ik begon, ging er een wereld voor mij open. Ik trof een jonge provincie met weinig erfenis. Dat maakte het werk direct heel leuk. Er was geen jarenlange bagage van ‘zo doen wij dat hier nu eenmaal’. Ook FleCk bestond nog niet lang en ik heb mijn eigen baan kunnen creëren. Ik kreeg en krijg nog steeds alle ruimte en vertrouwen. Die autonomie in mijn werk vind ik heel prettig.

Het werken in de kunst en cultuur in Flevoland is anders. Omdat het een jonge provincie is, is er veel te pionieren. Er liggen kansen en er is lef. Zoals de Provincie een paar jaar geleden durfde te starten met het vmbo-project! De ondernemingsgeest en de manier waarop Flevoland dit aanpakte, hebben mij erg verrast. Verder vind ik ook de overzichtelijkheid en transparantie in de provincie erg prettig.

Mensen in beweging krijgen

Mijn werkzaamheden zijn divers. Als chef scholing ontwikkel en geef ik trainingen, adviseer ik collega’s over deskundigheidsbevordering in hun projecten en bedenk ik concepten over werkvormen die we inzetten in onze design-thinkingtrajecten. Trainingen geven in corona-tijd is trouwens lastig. Als ik live train, kan ik precies levelen hoe we aan tafel zitten, voel ik aan wanneer een knipoog of grapje op zijn plaats is. Ik had laatst een bijeenkomst met mensen die elkaar nog niet kennen. Het was hard werken, die drie uur waren energielekkend. Trainen gaat niet alleen over kennisoverdracht, het gaat ook om verbinding.

Bij alles wat ik doe, wil ik mensen in beweging krijgen. Ik vind het fijn als mensen dankzij mij een volgende stap kunnen zetten, dat ze zich kunnen blijven ontwikkelen. En ik word er blij van als ze teruggeven dat ik voor hen iets heb betekend.

Cultuureducatie voor ieder kind

Ik lever een bijdrage aan mensen die zich inzetten voor goed cultuuronderwijs aan kinderen. Daar ben ik dus groot voorstander van. Want met cultuuronderwijs kunnen kinderen hun talenten laten zien, ook de kinderen die minder gemakkelijk leren. Ik weet dat uit mijn eigen jeugd en zie het op de school van mijn eigen kinderen. Misschien is een leerling de zwakste in rekenen, dan kan hij toch excelleren in kunst. Ik vind het dan ook nog steeds jammer dat op veel scholen er een verschil in waardering is van de verschillende vakken. Cultuureducatie geeft kinderen plezier. Door aan kunst en cultuur te doen, kan een kind zich gezien en gewaardeerd voelen. Voor de eigenwaarde van kinderen moet cultuuronderwijs dan ook uit meer dan alleen muziek bestaan. Want dan geef je ze optimaal de kans hun talent te ontdekken en creatief te zijn.

Een andere belangrijke component van goed cultuuronderwijs is dat je kunst kunt inzetten voor het verbreden van perspectief. Kinderen maken door voorstellingen of kunstwerken kennis met andere zienswijzen. Kunst brengt een open blik naar de wereld. Ik had daar vroeger mijn ouders voor, maar dat is niet voor iedereen weggelegd. Ik ben niet tegen creativiteit en verwondering, maar het gaat mij toch vooral om de maatschappelijke relevantie. Ik kom uiteindelijk uit dat linkse nest. Hoe minder polarisatie, hoe meer genuanceerd iedereen kan kijken en hoe minder tegenstellingen je creëert. Cultuuronderwijs als een basisvoorwaarde op school draagt bij aan de ontwikkeling van een breder perspectief van ieder kind.

Interview en tekst: story-coach Raymond Godding en communicatiestrateeg Ilonka de Ridder-Lebon.

Contact

Weet je nu nog niet genoeg van Mieke of heb je een vraag? Neem contact op via:
mieke@cultuureducatieflevoland.nl
T. 0320 727 012

Mail Mieke